Het Israëlische leger (IDF) gebruikte angst als middel om een aantal van haar plannen verwezenlijkt te krijgen.
Yigal Allon, een toenmalig leider van de Palmach in 1948, later lid
van de Israëlische
regering, zou het volgende hebben geschreven: "Wij achtten het
noodzakelijk om delen
van Galilea te ontruimen en dit bij Joods territoir te voegen. Wij
zochten derhalve naar
mogelijkheden om dit doel te bereiken, zonder van wapen geweld
gebruik te hoeven maken.
De tienduizenden Arabieren in deze gebieden moesten op de vluchtten
en de beste methode
was om geruchten te verspreiden als zou rond Safed, recent veroverd
nieuwe troepen
versterkingen zijn samengetrokken die op het punt zouden staan te gaan
plunderen.
Door dergelijke geruchten te verspreiden door locale joodse bewoners,
hoopten we dat
de Arabische bevolking massaal op de vlucht zou slaan. Het werkte boven
verwachting." (Yigal Alon, The Book of the Palmach, vol. 2, p.286)
Na 14 mei 1948 ging het IDF door met het uitzetten van Arabieren uit
land dat bij Israël
gevoegd zou gaan worden. Soms werd een dorp aan het begin van
de avond bestookt, zonder
waarschuwing vooraf. De commandant van Harel, een van de drie Palmach
Brigades,
lt. Kol. Yosef Tahenkin beschreef hoe een dergelijke operatie in zijn
werk ging in de
periode 1948-1949. Volgens dat plan zou een peloton sappeurs zich voegen
bij de eenheid
die een dorp aanviel. Zij bliezen vervolgens gebouwen op zodra dit
dorp in hun handen was
gevallen. Andere gespecialiseerde eenheden verzamelden overgebleven
waardevolle goederen.
(Yosef Tabenkin, "Doctrine of Raids", quoted in Y.Allon, pp.193f).
Vervolgens, na afloop van een dergelijke operatie, trokken de eenheden
zich weer terug.
Als voorbeeld gaf het de operaties rond de dorpen Biddu en Belt
Surik.
Zodoende zijn er dus niet alleen ooggetuige verslagen van vluchtelingen
maar ook van
Israëlische militairen. Nog een aantal voorbeelden volgt hieronder.
Het kwam voor dat het IDF dorpen verwoestten die ze niet konden blijven
bezetten,
om te voorkomen dat ze opnieuw in Arabische handen terechtkwamen.
Nafez Nazzal interviewde veel ooggetuigen van de Yishuv en het IDF.
Hoewel hij niet
altijd eensluidende verslagen kreeg van dezelfde incidenten, worden
de patronen wel
duidelijk;
Op 28 maart 1948 overvielen dorpelingen van Kabri in West-Galilea en
gewapend konvooi van
de Yishuv. De gevechten die vervolgens rond het dorp uitbraken
op 21 mei leidde er
uiteindelijk toe dat militairen dorpelingen afvoerden, waaronder Amina
Musa en haar man.
Een officier scheidde de mannen van de vrouwen en tenminste
de man van Amina werd
doodgeschoten. De vrouwen werden achtergelaten op de weg tussen
Kabri en Tarshiha.
De volgende morgen vond Mina haar man. Zij begroef hem met hulp
van een andere vrouw.
Ze verbleef daarna nog 6 dagen zonder voedsel in haar dorp.
Toen vertrok ze.
In de nacht van 9 op 10 juli omsingelde het IDF van 3 kanten et dorp
Kuweika,
een paar kilomer van Akko en bestookten het met artillerie. Een dorpeling
herinnerde zich
later: "we schrokken wakker van ontploffingen en artillerievuur.
Het hele dorp
raakte in paniek. De meeste dorpelingen vluchtten met niet meer dan
hun pyjama aan.
De vrouw van Kassim Ahmed Sa'id bijvoorbeeld vluchtte weg met een kussen
in haar armen
in plaats van haar kind. In die paniek en verwarring raakten velen
hun familieleden kwijt".
De geïnterviewden vertelden Nazzal dat, hoewel het ouderen soms
werd toegestaan te
blijven ook zij vaak op open vrachtwagens op transport werden gesteld
naar Zububa bij
Jenin. Daar moesten ze of de grens over of ze werden achtergelaten.
Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Hoe zou iemand kunnen beweren dat
al deze mensen
vrijwillig have en goed zouden hebben achtergelaten?